De Filosofische Ontmoeting – IV

Aandacht voor het onbekende?

Raymundus spiegelde in de middeleeuwen al de onmogelijke positie waarin we terechtkomen wanneer we een absolute uitspraak doen over God. Deze negatieve theologie kan niet verbannen worden naar het terrein van religieuze geloofsovertuigingen alleen. Kant liet ons zien dat iedere speculatie over God, Ziel en Wereld verzandt in paradoxen waarin gecontraheerde meningen over het onbegrijpelijke elkaar tegenspreken. Intermenselijke mechanismen doen de rest en de toren van Babel doemt al op aan de horizon. Het onbegrijpelijke kan wel worden gezocht, maar niet worden toegeëigend.

Enige tijd geleden kreeg ik, na een socratische ontmoeting, een boek cadeau.[i] De reeks was bedoeld om geïnteresseerden een “eerste filosofische ervaring voor het dagelijks leven” te bieden. Zinspirerende boekbesprekingen in dialoogvorm leken toen vrij voor de hand liggend. Via Avans, waar ik eerder als ethiekdocent werkzaam was, had ik leren werken met korte vormen van het socratisch gesprek. En onlangs nog was er een boekbespreking, onder begeleiding van Erik Boers.[ii] Enorm inspirerend! De experimentele training bij Paul Wouters[iii] vormde het begin van de ontdekkingsreis naar een vorm die voor het hoger beroepsonderwijs geschikt zou kunnen zijn. Dus, ja: je ervaart en onderzoekt en probeert.

Het zogenaamde “socratisch gesprek” kan gevoerd worden in het tijdbestek van een avond, een middag, een dag, een weekend of zelfs een hele week. Hoe langer de dialoog duurt, hoe diepgaander de reis in vanzelfsprekende oordelen over de werkelijkheid; hoe verder je samen De Grot uitkomt. De ketens worden als het ware onder spanning gezet en één voor één afgepeld. De conclusie is steevast dat we eigenlijk de wijsheid niet in pacht hebben. Dit leidt bij buitenstaanders veelal tot hilariteit. Maar zij die de reis hebben ondernomen, voelen zich als herboren. Ken U Zelve! De wereld toont zich weer als een mysterie en wetenschap wordt opnieuw een ontdekkingsreis waarin zaken als liefde, vriendschap, kunst, dienstbaarheid, management, rechtvaardigheid etc. hun magische glans hebben herwonnen. Begrijpen is een dans van kijken zonder toe te eigenen. Een ervaring die iets met je perceptie doet.

Welnu, in het onderwijs bleek het comprimeren van de dialoog al snel verleidelijk. Maar dit ging ten koste van de diepgang van het gesprek. Wanneer je dan van je studenten hoort dat ze er na het onderzoek nog steeds op dezelfde wijze tegen aankijken, dan is er innerlijk kennelijk weinig gebeurd. Deze conclusie leidde tot discussies en meningsverschillen tussen mijn collega’s en mijzelf.[iv]

Het filosofische in de dialoog is niet het volgen van een voorgeschreven vorm. De vorm biedt een structuur waarin het mogelijk wordt om de verwondering te beoefenen. Natuurlijk kan deze als ervaring niet gecultiveerd worden, maar als ervaringsmogelijkheid kan wel geleerd worden de verwondering te onderkennen, deze toe te laten als perceptieshift en de verruimde kijk te integreren in de ervaring van het dagelijks leven. Zoals ik al eerder schreef, is de verwondering (elenchus) een ont-stellende ervaring waarop je in meer of mindere mate gesteld kunt raken.

De vraag die je jezelf stelt als docent, namelijk, is: “Wat beoog je nu?” En hierover liepen de meningen van de teamleden uiteen. Voor mij werd opnieuw de vraag geopend: wat is nu eigenlijk wijs-begeren?

Oefen je, als goed hbo docent, het vermogen van je studenten om kritisch en analytisch met opvattingen van zichzelf en anderen om te gaan, dan train je dus vaardigheden waarbij de filosofie, in het kader van hulp- en dienstverlening, instrumenteel wordt voor een analytische houding ten aanzien van probleemsituaties.[v] Hoe waardevol analyse en reflectie ook mogen zijn in de praktijk, wanneer je deze vaardigheden ontwikkelt dan verworden ze al snel tot een rationeel kunstje, waarbij de passie van de filosoof (namelijk zijn verlangen naar wijsheid) gekaderd wordt door het succes van de analyse (het ontmaskeren van vooroordelen). Leg je steevast de nadruk op het onderzoeken van vooronderstellingen in een korte dialoog dan ontgaat de student een dienstverlenend aspect, dat ik in de loop van de jaren ben gaan zien als “interesse in de ander als ander”.

De socratische boekbesprekingen verliepen erg mooi en gingen diep. Hierdoor leerde ik mind zien als een veld dat instrumenteel is voor bewustwording. Aandachtbeheer is de sleutel. En in het bewust worden kun je (al denkend) je aandacht richten op het denken zelf. Maar ook op zintuiglijke gewaarwording, op gevoel en op richting. Zeker in de eerste fase van de dialoog bleek deze matrix[vi] een gouden instrument in de coaching van en het onderzoek naar het spel der herinnering en de kernachtige vertaling ervan in een voorbeeld.[vii] Dit spel, immers, waarin de ander gevangen wordt in een kernachtige bewering (antwoord op de uitgangsvraag) is een breekbaar proces. Niemand wil uit zichzelf in een diepgaande crisis terechtkomen. En dit is wat gebeurt wanneer een wezenlijke overtuiging over een zinvolle werkelijkheid op het spel staat. De socratische boekbesprekingen lieten zien dat als je de structuur van de dialoog rationeel los kunt laten er meer ruimte komt voor zelfonderzoek, voor alle gesprekspartners. Het aangegane commitment in het gevelde oordeel (de kernbewering) kan in denken en handelen weer opnieuw worden beleefd en zinvol verwoord.

Wat ons dan rest, als burgers in een samenleving, is hooguit het lotgenootschap van het niet weten. In een onbegrijpelijke wereld is de ander een deur naar een verhaal over het mysterie dat leven heet. In een dialoog is hij of zij een verborgen plaats van wijsheid die in een gezamenlijke zoektocht wordt ontsloten.[viii] Het lijkt vreemd, maar hoe beter je elkaar leert kennen, hoe groter het mysterie wordt. Want het meeste dat je over elkaar had aangenomen blijkt onzin te zijn.

In die boekbesprekingen wandelden de gesprekspartners door een rudimentaire vorm van “de zandloper” in een beeld rond de uitgangsvraag. Met niet meer dan een gedeeld vermoeden als antwoord. Door als gespreksleider bewust de velden van willen, voelen, denken en doen te onderscheiden kan veel gemakkelijker de talen van de verschillende velden worden verstaan en de weg naar thaumadzein[ix] worden begeleidt. Wat betekent dit voor de dialoog? Van deze ontdekkingsreis zal ik de komende columns verslag doen.

De vraag is natuurlijk: hoe ga je om met essentiële onwetendheid? En hoe beoefen je dat?[x]

Tot besluit en in het kader van een themanummer over godsdienstfilosofie en in de geest van Cusanus[xi], een mystiek gedicht dat doet denken aan een weg met hart voor de filosoof:[xii]

Discover oneness in multiplicity

And love it unreservedly

Discover multiplicity in oneness

And serve it unconditionally

Discover freedom in beauty

And follow it unabashed

Discover tolerance in openness

And walk in its footsteps

These are the principles of Love

These are the precepts of wisdom

These are the preconditions of bliss

This is the way of

Beautiful Human Beings.

Love each other

Because you are One

Serve each other

Because you are One

Destroy the boundaries

Because you are One

Abandon all judgement

Because you are One

This is the way of

Beautiful Human Beings

(abHabib Abbah)

 

Tot Uw Dienst.

Huub Eeken

Kio, ambachtelijk wijsgeer, SEM manager

www.raaf.nu

Het artikel “Muslim Unlimited” uit Dagblad De Pers  gaf aanleiding tot dit vervolg op de vorige column, twee nummers geleden. Esma Choho, ik zou je graag ontmoeten. Per 21 juni start de mogelijkheid om een privéopleiding te ondergaan in traditioneel overgedragen ambachtelijke wijsbegeerte. De SiWeb Experience Matrix is deel van het curriculum, evenals tempelslaap, causale visie, SEM councelling & een menu aan socratische dialoogvormen. Het atelier, wandelingen en stedelijke ontmoetingen vormen het decor van persoonlijke, sociale & professionele ontwikkeling. Jouw ervaring van leven staat centraal.



[i] Het boek dat ik kreeg heette “Verborgen plaatsen van Wijsheid” en was geschreven door Peter Kingsley. Ondanks de wat zeurderige toon van een miskend genie drong de verrukkelijke boodschap van zijn onderzoek diep tot me door: filosofie is niet alleen maar een traditie van rationele bewustwording. Haar wortels liggen diep in een universele mystiek die over alle grenzen heenvoert en die oost en west verbindt! Sindsdien vind er ook bij mij een geleidelijke perceptieverschuiving plaats met betrekking tot mijn eigen rol als filosoof in de samenleving. Het leerdicht van Parmenides, gelezen als een shamanistische reis en zijn filosofie in het licht van mystiek levert een heel ander beeld op dan de huidige academie. Zou Socrates een mysticus zijn geweest? Ik ben me in SiWeb, Parmenides  en praktische mystiek gaan verdiepen en heb veel geleerd over de klassieke rol van een filosoof als maatschappelijke dienstverlener. Filosofen golden als geneesheer van de ziel. Er bestond zoiets als tempelslaap. Dat heeft me aan het verwonderen gezet.

[ii] We bespraken “Onuitputtelijk is de waarheid”. Citaat: “Er is waarheid. Alle waarheden zijn eindig. Elke waarheid heeft aanvullende waarheden naast zich, onder zich en boven zich. De waarheid is onuitputtelijk.” [O.D, Ow, Budel 2002] Een mooie gelegenheid om op te merken dat socratische dialogen, noch boekbesprekingen kaal en kil zijn, zoals ik mensen vaak hoor menen. Wie het Symposium kent, krijgt een idee…

[iii] Paul is de auteur van Denkgereedschap. Een boeiend boekje dat je niet zozeer kennis laat maken met wat filosofen hebben gedacht, maar eerder hoe ze in het verleden verschillende onderzoeksvormen van waarheid hebben ontworpen.

[iv] Ik leg u ons vraagstuk voor. De dialoog bestaat in format uit verschillende fasen:

Formuleren uitgangsvraag, selecteren voorbeeld en de verdieping in het kernoordeel, formuleren kernbewering, ondervragen van de vooronderstellingen en, ten slotte, het recapituleren van inzichten.

[v] Problema (Gr) kan vertaald worden als “opgave”. Het gaat hier dan om situaties die je, als pro, voor een opgave plaatsen.

[vi] De Siweb Experience Matrix (SEM) is ontwikkeld op basis van Frédériqué Abbaji (abHabib Abbah), SiWeb, Den Haag 2005, Shu’empress. Hopelijk vergunt mij de redactie deze extra lange column. Ik zou, voor dit nummer, een boekbespreking schrijven over SiWeb, maar ben er allereerst praktisch mee aan de slag gegaan. De bespreking volgt in een volgende uitgave.

[vii] Kortom: de fase van uitgangsvraag tot en met de formulering van het ervaren antwoord erop.

[viii] Tijdens de socratische boekbesprekingen over spirituele literatuur heb ik lering getrokken van mijn experimenten die gericht waren op de voorbeeldgever. Kort daarvoor werd ik geattendeerd op “SiWeb, een ervaring van leven”, door Frédériqué Abbaji, van wie ook het voorgaande gedicht is. Mysticus, niet westers socioloog en auteur. Nu ben ik al lang bevangen door het vermoeden dat alle wijs-begeren tendeert naar mystiek; de docta ignorantia. Liefde is geen (louter) rationele aangelegenheid. SiWeb gaf me een ervaringsmatrix die als een soort van bril fungeerde, gericht op de onderzoek van ervaring. De key is: aandachtbeheer. Universitair gezien mag filosofie een academische onderneming zijn in body en in mind. De begeerte in een “verlanger naar wijsheid”  is veeleer een gerichtheid, waarvan de zin in soul beleefd wordt; die door mind bewust gemaakt wordt en in body ervaarbaar gemaakt wordt. Een leuke epistemologie, nietwaar? En dit ben ik gaan onderzoeken en uitproberen!

[ix] Via elenchus naar verwondering

[x] Met deze column kondig ik de herintroductie van causale visie en tempelslaap aan als wezenlijke instrumenten voor de beoefening van wijsbegeerte. De SiWeb Experience Matrix vormt de basis in een traditioneel geijkte overdracht van ambachtelijke wijsbegeerte. Wandelen vormt een wezenlijk deel van het curriculum. Anderen die bezig zijn met een vergelijkbaar project nodig ik hierbij van harte uit voor een gesprek. Zie: www.raaf.nu (verwacht) en huubeeken.web-log.nl

[xi] Zie: Nicolaus Cusanus, Idiota de Mente: het moment waarop de filosoof zich staat te verwonderen op de brug.

[xii] Zie de vorige column, twee nummers geleden: Onbekend maakt onbemind?

april 7, 2007
By on 14:03
De filosofische ontmoeting III

Onbekend maakt onbemind?

Wanneer Iris via haar regenboog van de hemel naar de aarde reist en met een boodschap van de goden voor je neus staat, dan overspoelt dat enigszins. Hoe moet je daarop reageren? In de ban van verlegenheid, ervaar je het wonder van oordeelloosheid. En je ziet een zee vol mysterieuze en wonderbaarlijke mogelijkheden.

Als cultureel werker heb ik ontdekt dat, om mensen te leren kennen, het handig is om mezelf een tijdje, zonder een agenda, aan hen bloot te stellen. Uit eigen ervaring en onbevangen leren hoe het is om die ander te zien. Mezelf proberen voor te stellen hoe leven er aan die kant van de medaille uitziet. Natuurlijk lukt dat nooit helemaal. [1] Toch biedt deze eigen ervaring nuances, accenten en feiten waardoor ik in mijn oordelen steeds voorzichtiger wordt. Zo klopt het dat Marokkanen voor veel overlast zorgen, maar bij navraag blijkt dat “ze” door maar weinigen echt gekend worden. En onbekend maakt onbemind. Wat is wenselijk?

Nu hoor en lees ik hoopvolle geluiden over interculturele ontmoetingen. Voor alle duidelijkheid: die vinden al plaats! In het Eindhovense stadsdeel Kronehoef bijvoorbeeld. Ook vóór de aanslag. Sinds januari woon ik tegenover de school waarvan de poort werd opgeblazen. De enkelingen die deze schade teweeg brachten bestaan nog in de barsten van het raam voor mijn bureau. Maar door dit raam zie ik vanuit mijn studeerkamer het leven rond die school en de bedrijvigheid in de buurt. Nu, na bijna een jaar begin ik door mijn dagelijkse beslommeringen heen mijn buurt te leren kennen. Na een jaar…

“Dan valt onze aanleg wat ontwikkeling en het ontbreken daarvan betreft te vergelijken met een situatie als deze,” zei ik. “Stel je mensen voor die verblijven in een soort onderaardse, grotachtige ruimte. (…)Van jongs af aan zitten ze daar, met boeien rond hun benen en hun nek. Zo kunnen ze niet weg en kunnen ze alleen recht voor zich uitkijken, want die boeien maken het hun onmogelijk het hoofd te draaien.” (…) “Ik zie het voor me,” zei hij. (…) “Ze zijn net als wij”, zei ik. “Want geloof jij om te beginnen dat zulke lui van zichzelf én van elkaar ooit wat anders te zien hebben gekregen dan de schaduwen die door het vuur op de rotswand tegenover hen worden geworpen?” (…) “Hoe zou dat kunnen als ze hun leven lang hun hoofd niet kunnen bewegen?”, zei hij. “Ga dan eens na,” zei ik, “hoe het met de bevrijding van hun boeien en de genezing van hun onwetendheid zou verlopen als (…) iemand uit hun midden (…) werd losgemaakt en hij ineens op moest staan, zijn nek draaien, rondlopen en naar het licht opkijken?” (…) “Hoe zou hij reageren als iemand hem vertelde dat alles wat hij vroeger had gezien onzin was (…)?” [2]

Wat blijkt, is dat de aanslagen een gezamenlijke wond veroorzaakten tussen de verschillende “culturen”. En aan de heling ervan wordt nu aan alle zijden hard gewerkt. Mensen gaan hier in Woensel al heel wat makkelijker bij elkaar op de kruidenthee. Ze delen de zorg voor hun kinderen, een angstige herinnering en een verlangen naar rust. De gemeente heeft haar beleid aangepast en steunt initiatieven; een mooie gang van zaken.

U kunt zich wellicht voorstellen hoe het moet zijn geweest om ’s nachts rond een uur of één met een klap uit je kettingen te worden bevrijdt. Wij woonden destijds vijf straten verder. Geschokt drong het tot de mensen door dat ze niet veilig waren en dat mensen uit hun buurt werden bedreigd. Hoe is het mogelijk? Verbijstert realiseer je jezelf dat er zoveel is dat je niet (van elkaar) weet. Nog niet… En dat is, zoals Verhoeven al schreef, een ontstellende ervaring. Plato en Aristoteles noemen deze verwondering dé aanzet tot het verlangen om wijzer te worden:

“Want dat is de drijfveer van een filosoof: verwondering.” [3]

Bij de opbouw van mijn onderwijsatelier en de voorbereidingen van een nieuwe academie merk ik vaak hoezeer een dialoog op prijs wordt gesteld. Het heeft me menigmaal verbaasd dat er überhaupt een structuur bestaat waarin het veel eenvoudiger is om tot zoiets als een zinvol gesprek te komen. Cultuurverschillen vind je overal: tussen man en vrouw, ouder en kind, dorpen en steden; noem maar op. Uit eigen ervaring kan worden opgemaakt wat maakt dat onderlinge verschillen een meerwaarde geven aan de betreffende relatie. Of zoals laatst tijdens een gesprek over holisme werd gevraagd:

“Als ik mijn waarheid heb en jij die van jou, hoe kunnen we elkaar dan ooit ontmoeten?” [4]

Merk op dat de vragensteller meent dat zij en de ander de waarheid kunnen bezitten. Een kleine stap naar: de waarheid in pacht hebben. En hoe kunnen twee mensen die menen de waarheid in pacht te hebben, elkaar ooit ontmoeten? Een antwoord op deze vraag kwam verassend genoeg een week later. Tijdens een nieuw gesprek, over dezelfde vraag:

“Door niets uit te sluiten!” [5]

De verwondering is een ervaring waarin je even niet in staat bent om iets uit te sluiten. Je leert dat je niet weet; de docta ignorantia! Wellicht wil Plato met zijn vergelijking duidelijk maken dat we van de waarheid als mens slechts een beeld hebben. Gevangenschap ontstaat door de bevangenheid in dit beeld: zó zit het. Of: zo hoort het! Een beeld waardoor je meent iets te kunnen uitsluiten. Vrijheid ontstaat door de verlossing ervan.

In de oudheid werd de filosoof ook wel gezien als een geneesheer van de ziel. Socrates – de horzel in de pels -noemde zichzelf een vroedvrouw. Verwondering geld als een antigif tegen geestelijke vernauwing. Tegen dwaasheid en machteloosheid. Tegen gevangenschap in de waanzin en tekortkomingen van het eigen web waarin men zichzelf heeft verstrikt. In de confrontatie met het nog niet gekende is geen enkel paradigma toereikend en daarvan wordt je bewust. De elenchus is de ervaring waarin je bewust wordt van je onwetendheid. En dit werkt ontstellend. De bevrijding van een ontoereikende vooringenomenheid laat een zee van mogelijkheden open.

Gelukkig heeft een socratisch gespreksleider een ruime ervaring met elenchus. Hij kent er de heilzame werking van en merkt steeds weer dat verwondering mensen inspireert tot het ontdekken van nieuwe wegen. In de dialoog wordt het antwoord weer vraag, de opvatting blijkt een hypothese en het dogma een axioma. De ban wordt verbroken en de balans komt in evenwicht; we delen hetzelfde raadsel.

Hét antigif voor de roes van dogmatici.

Huub Eeken, katalysator in ontmoeting (huubeeken.web.log.nl [6])

[1] Cf. Thomas Nagel: What’s it like to be a bat? In het gunstigste geval stel je jezelf voor hoe het voor jou is om een vleermuis te zijn… [2] Plato, Politeia, 514 e.v., Amsterdam 2000. [3] Plato, Theaitetos 155 D, Amsterdam 1994. [4] Amonines, september 2007. [5] Een stukje scherpzinnigheid: Uit de bundel Het heil van de filosofie, Ad Vennix: De list van de geleerde onwetendheid, Baarn 1993, blz. 60: “Het eerste probleem waarvoor we ons geplaatst zien, is (…) vooringenomenheid, het complex van vooroordelen waarmee we sedert onze kinderjaren zijn opgezadeld. Hoe kunnen we ons daarvan bevrijden? (…) We kunnen niet als bij toverslag al onze overtuigingen en meningen overboord zetten. Met de meeste van die vooroordelen zijn we in de alledaagse ervaring zo vertrouwd geraakt, dat we eraan gehecht en als het ware mee vergroeid zijn. Maar misschien is er toch een mogelijkheid om ons aan de ban van die vooroordelen te onttrekken. We kunnen ze dan wel niet meteen overboord zetten, maar we kunnen toch tenminste proberen ze te neutraliseren of onschadelijk te maken door ze van hun overtuigingskracht te ontdoen. Hoe? Door met alle macht te proberen ze in twijfel te trekken.”  [6] U vindt hier de reeds verschenen columns, achtergrondinformatie zoals de Grotallegorie van Plato, aankondigingen van dialogen en een paar boeiende links. U bent van harte uitgenodigd vragen te stellen over de socratische dialoog, een gesprek aan te vragen of u suggesties voor de columns te delen.

november 6, 2006
By on 13:27
De Filosofische Ontmoeting II

Verborgen plaatsen van Wijsheid?

In de rechtzaal van het oordelend verstand zijn sommige zaken helder en andere weer troebel. Maar is het eindoordeel eenmaal geveld, dan lijkt de zaak rond en beschouwen we haar als afgehandeld. Wat is immers de zin van het opnieuw onderzoeken van en oordelen over gebeurtenissen, lang geleden, terwijl het heden al meer dan mogelijk van onze aandacht vraagt? [1]

Onlangs belde Dré. Ik heb hem ooit ontmoet in een droom; een droom van een wandeling. Het was herfstachtig weer en in die tijd blowde ik nog graag zo nu en dan een jointje. Ik moest een studium generale organiseren, maar had er door de werkdruk geen zin meer in.

Eenmaal in de bossen van de Beerze aanbeland, vlogen de takken om mijn oren en de wind bracht geuren van blad en grond. Alles was in beweging. Ik ook. Op het ritme van mijn hartslag dwaalde ik door sprookjesland. Cirkelend als een roofvogel rond de Heilige Eik die, inmiddels, geen Eik meer is, maar een kapel. Een punt van rust, stilte en magie. Waar ik op joeg, dat wist ik niet. En het maakte niet uit.

Mijn tocht eindigde in Beukenhof, alwaar een vreemde kabouter op de oprit van een ontginningsboerderij op me scheen te wachten. “Na enkele uren wandelen zou mijn roes toch uitgewerkt moeten zijn”, dacht ik nog. Voor ik het wist, zat ik een film te kijken. Een film van Dré. Enkele maanden later stond Dré voor een overvolle collegezaal, met dezelfde tweeluik, een lezing te geven. Onderwerp: De gevolgen van zelfdoding bij machinisten [3]. Opleiding: Maatschappelijk Werk en Dienstverlening.

De raad luistert zorgvuldig [3]. Aan het feit dat ik als docent in mijn vrije tijd een jointje rookte wordt gelukkig geen aandacht besteed [4]. Wat wel blijft hangen is de opmerking: “Het maakt niet uit”.

“Je vertelde dat je niet wist waarop je joeg, maar dat dit niet uitmaakte; wat bedoel je daarmee?”

Even ben ik stil. “Ik genoot ervan om doelloos te dwalen. Het wandelen zelf was aangenaam, zonder zinvol te moeten zijn!”

“Hoe merkte je dat?”

“Nou ja, ik was niet bezig met het nut van wat ik deed, maar had gewoon zin in wat ik deed: lekker bewegen, frisse lucht, mooie beelden, de geur van het bos…”

“Wat vond je daar zo bijzonder aan?"

"Nou, de tijdloosheid. Ik kan dan uren wandelen zonder over iets na te denken. Als ik denk, dan verlies ik gemakkelijk het contact met mijn omgeving. Tijdens de wandeling was dat anders. Ik denk zelfs niet na over de richting waarin ik loop, maar struin overal dwars doorheen. Als ik niet weet waarheen ik wil, dan doe ik niets tot er zich weer een impuls aandient. Gewoon doen wat in me opkomt, in plaats van erover na te denken."

“Je noemt het sprookjesachtig?”

“Ja, want alles wat ik tegenkom is dan een verassing. Neem nou de ontdekking van Beukenhof en de ontmoeting met Dré. Dat had ik vooraf niet kunnen bedenken.”

“Wanneer constateerde je dat?”

“Na de wandeling en de ontmoetingen realiseerde ik me hoe bijzonder het was.”

“Wat?”

“Nou, mijn avontuur. Erg leuk om zo iemand te treffen voor een lezing, terwijl ik het eigenlijk juist van me wilde afzetten.”

“Hoe bedoel je?”

"Nou, ik ben niet gaan wandelen omdat ik dacht dat het om de een of andere reden zinvol zou zijn voor het Studium Generale. En toch was het zinvol."

”Zinvol?”

"Ja, want ik genoot van het avontuur en het leverde een mooie ontmoeting en een lezing op. Ik had er gewoon zin in en heb gedaan wat in me opkwam, zonder erover te oordelen.”

“Wat concludeer je hieruit?”

Oei, even denken: mijn ervaring was zinvol terwijl ik het avontuur beleefde. Dit constateerde ik bij het evalueren ervan en dus na de wandeling en na de ontmoeting met Dré. De zin was dus reeds ervaren toen ik constateerde. De zin van de wandeling lag dus niet in het oordeel, maar in de ervaringen tijdens het wandelen! Ziehier mijn antwoord!

De voorzitter van de raad schrijft op het bord: “Zinvolheid ligt niet in het oordeel, maar in de ervaring”.

In de verte klinkt de stem van Socrates: “Mooi zo, beste Huub. Een bewonderenswaardige en overtuigende bewering. Dus volgens jou is oordelen niet zinvol, maar zinloos?”

"Tja, dat moest ik bekennen. Dat denk ik inderdaad!"

“Laten we dan nu eens onderzoeken of deze boreling levensvatbaar is.”

Natuurlijk kwam ik in verlegenheid. Want wat me gedreven had, was de wens even uit de doelgerichtheid van mijn werk te stappen. Dat was wat ik najoeg. Daarover oordeelde ik dat dit zinvol was. En dát bleek allerminst zinloos te zijn, immers: het was deze doelgerichte doelloosheid waardoor ik genoot en die de zin aan mijn ervaring verleende. Bovendien groeide mijn verlegenheid, toen ik me realiseerde dat mijn uitnodiging aan Dré het gevolg was van, nota bene, het oordeel dat de film voor onze studenten de moeite waard zou zijn! Dré heeft een lezing gegeven en de lezing heeft 130 mensen een waardevolle leerervaring gegeven. Hiervan moest ik toch erkennen dat dit het gevolg van een zinvol oordeel was!

Voorlopige conclusie: Zinvolheid ligt niet alleen in de ervaring, maar ook in het oordeel. De dorpsraad is het er in ieder geval over eens dat de betekenis van “zinvolheid” en “het oordeel” nader onderzocht dienen te worden. We spreken daarom af om ons in het volgende gesprek te richten op de vraag: Wat is zinvol oordelen? Tot zover ons fictief gesprek.

Wat is de zin van oordelen in gebeurtenissen, lang geleden, terwijl het heden al meer dan mogelijk van onze aandacht vraagt?

Wat is “zinvol oordelen?”

Ik weet het niet. U wel?

Huub Eeken, katalysator in ontmoeting

p.s. Met Dré ga ik morgen op jacht… [5]

NB-en:

[1] Zoals in deze column, kent het socratisch gesprek een aantal basisingrediënten. Het begin wordt gevestigd door de gezamenlijke bepaling van een vraag die aanzet tot filosofische reflectie. Een tweede structuurelement is een concrete ervaring, door een van de deelnemers als voorbeeld verteld. Een waarlijk gebeurd verhaal, waarin een inzicht sluimert omtrent de gekozen uitgangsvraag. De gesprekspartners proberen de spreker, vervolgens, al vragend te verleiden om dit doorleefde antwoord kernachtig te beweren. Als goede majeutica eerder uitnodigend, dan dwingend. Het geheel van deze drie eerste elementen kan gezien worden als “de geboorte van het toenmalige rechterlijke oordeel”. Hierna begint dan het filosofisch onderzoek naar de grondslagen ervan. De voorbeeldgever raakt in verlegenheid wanneer hij beseft dat hij zichzelf tegenspreekt. Hierdoor vervreemd hij van zijn eigen schijnweten en raakt verwonderd door zichzelf; mijn mening was een vermoeden! En in deze verwondering ligt het begin van alle wijsbegeerte.

[2]De tweeluik bestond uit: “Met de trein door de straat” (documentaire) & “Treintjes en konijntjes” (korte film). Voor meer informatie: www.drediddriens.nl.

[3]Een gesprek vraag over het algemeen om 2 of meerdere partners. Hoewel ik nu niet alleen ben, U leest immers alvast met me mee, is het lastig om hier een dialoog voor te stellen. Wanneer ik met U schrijf, ben ik genoodzaakt om in te vullen wat Uw vragen zouden zijn. Al schrijvend spreek ik dus niet met U, maar met mijn voorstelling van U. Bovendien is het nog maar de vraag in hoeverre we in elkaars tegenwoordigheid met meer van doen hebben dan met de wijze waarop we in elkaar worden voorgesteld. Het gekende is immers in de kenner op de wijze van de kenner. Ziehier meteen ook de moeilijkheid van de verslaglegging van een plaatsgevonden gesprek; het zou mijn voorstelling van zaken zijn. Ik ontkom er kennelijk niet aan. Nu zou U kunnen vragen: “En het element van verrassing dan? De verrijking die kan ontstaan door de inbreng van een ander die anders is?” Welnu, eerlijk gezegd constateer ik zelfs in mijn eigen eenzame ervaring continu allerlei verassende gedachten, gevoelens, daden en intenties. Als ik er nu eens even vanuit ga dat ze wel in mijn beleving leven, maar toch van een mysterieus elders komen, dan is de dorpsraad in deze solipsist reeds geïnstalleerd!

Na rijp beraad hebben we besloten we tot de volgende uitgangsvraag: Is oordelen zinvol? Bovenstaand verhaal zou daarop een antwoord bevatten.

[4] Over het algemeen merk ik dat gesprekspartners al snel in de startblokken staan met een oordeel. Naarmate de beeldvorming wat meer herkenbaar wordt, blijkt ook meer het vreemde. Een oordeel over concrete opvattingen of gedrag van anderen wordt gemakkelijker geveld, dan een oordeel als antwoord op de meer abstractere vragen als: “wat is oordelen?”. Ik noem oordelen graag vooroordelen. Voorlopige oordelen, ofwel hypothesen op weg naar wijsheid. In de omgang werken ze evenwel niet zo. Wat voorlopige oordelen kunnen zijn, worden dogma’s, uitgangspunten; morele regels voor handelen, principes. En dan staat er plots een boel op het spel. Binnen de dialoog is het daarom zaak om voor elkaar niets in te vullen en het voorbeeld dat bij de vraag gegeven wordt te beschouwen als een nog duistere ruimte waarin wijsheid gevonden kan worden. Onbevangen vragen stellen wordt dan zoiets als “het oor delen”. De gespreksleider stimuleert het “wijs begeren”.

[5] Reacties op de columns zijn van harte welkom via: Huubeeken@wanadoo.nl.

september 20, 2006
By on 01:19
De Filosofische Ontmoeting I

Kun je elkaar haastig ontmoeten?

De gasten aan tafel in Plato’s symposion spraken over liefde en vriendschap. Ze speelden met dit thema en vertelden elkaar verhalen. Metaforen voor gezichtspunten. Geheel tegen zijn gewoonte in verhaalt Socrates ditmaal over een eigen ervaring. En wel over een vreemdelinge, waardoor hij Eros leerde kennen. Iedereen betuigt zijn bijval. Ze stoeien nog wat met elkaar en zetten het onderwijl op een zuipen. Het geheel eindigt in een feest. Een legendarische mythe achter de socratische methode.

Mijn schoonvader is een bijzonder mens. Nu 77 jaar en met pensioen, maar altijd een harde werker geweest. Wanneer je met hem praat, kijk je terug naar de eerste helft van de vorige eeuw. Een tijd zonder files, Balkenende en Paradise Hotel. Een ander Nederland, dat zelfs voor autochtonen van mijn generatie grotendeels onbekend is. Kleurrijke mensen spreken kennelijk tot de verbeelding. Twee jaar geleden was hij te zien bij “Man bijt hond”. Enige tijd geleden vond ik in het Brabants Dagblad een kort artikeltje over hem. Op de vraag waarom Brabant zit te springen, geeft hij het volgende antwoord:

“Het behoud van het Brabants kwartiertje en het dialect! Ik vind het helemaal niet erg als iemand te laat komt op een afspraak. Ik houd niet van dat precieze. Het Brabants kwartierke geeft rust aan de mensen. En in het dialect praat je veel gemakkelijker en fijner met elkaar.”[1]

Onze eerste ontmoeting [2] vond niet plaats tijdens de eerste kennismaking. “Kijk Pap, dit is Huub.” Al leerde ik wel de serre kennen waar ik al vele uurtjes geluisterd heb naar verhalen uit eigen leven. Jan is een ouderwetse verhalenverteller, a la “Big Fish”. En dat ontdekte ik pas goed bij onze tweede en nadere kennismaking. Borrelen tot 4 uur ’s morgens en …. buurten.

Nu worden verhalen pas echt boeiend als je er eens goed voor gaat zitten. Als je er de tijd voor neemt. Zoals je ook de tijd kunt nemen om een film te kijken of in een boek te lezen. En na 3 glazen uit “de kruik” verlies je al snel je besef van tijd. Wat er dan gebeurt is eigenlijk wel wonderbaarlijk. [3] De hartelijke, maar nuchtere, eerste kennismaking vormt een schril contrast met de “drinkebroersontmoeting” die volgde. Van de details wist ik achteraf zoveel niet meer, maar de band was gesmeed. De ontmoeting was niet zozeer nuttig, maar wel zinvol geweest.

In deze cyclus van tien columns wil ik iets van het raadsel van een goed gesprek in kaart brengen. Wat maakt een gesprek goed? Is het ook werkelijk zo dat de dialoog als gespreksvorm bijdraagt aan de kwaliteit van een ontmoeting? En wat is dan dat “extra” dat een filosofische ontmoeting te bieden heeft? Was het wel door de filosofische ontmoeting, of was het de jenever? Kortom, wat hebben filosofie en ontmoeten eigenlijk met elkaar van doen?

Welnu, mijn vooronderstelling is dat “tijd nemen”, niet alleen voor elkaar, maar überhaupt, de kwaliteit van een ontmoeting in hoge mate bepaalt [4]. In de zin waarop Vasalis zo mooi schrijft: “Ik droomde dat ik langzaam leefde.” Net zoals Augustinus belijdt, weet ik niet wat tijd is, maar ervaar ik haar werking iedere dag. Toch, hoe handig ook, als de tijd stopt ben ik meer mezelf. Minder bezig met het invullen van situaties en beoordelen van anderen. Zie ik meer. Op de één of andere manier dringen juist dan de anderen en de situatie dieper tot me door. Ik ben er minder mee bezig, dus het gaat vanzelf. Daarom is het ook ontspannend. Voel ik er meer bij.

Uit mijn dagboek, over een wandeling met Erik Boers:

“Het werd een bijzonder ontspannen ontmoeting, compleet voorzien van… het Brabants kwartiertje! Bovendien spraken we een dialect dat we beiden kenden: filosofie. We belandden bij een vijver die verscholen lag van het pad. Er groeide de lekkerste bramen en het was er heerlijk stil. Erik zijn actief luisterende, doch rustige houding was aangenaam. We hadden wel het een en ander gemeenschappelijk en er ligt wellicht een goede basis tot een samenwerking in Eindhoven. Heerlijk om daarvoor de tijd te nemen. We bespraken filosofie, literatuur, mensen, visies, wandelingen en boekwinkeltjes-in-belgische-kloosters. En ondertussen aten we de bramen die hij plukte.”

Tijd nemen is willen ervaren. De ontmoeting ervaren. Tijd geeft ruimte voor ontmoeten [5]. Zoals de disgenoten in het symposion elkaar ontmoetten. Ze namen tijd, bespraken een kwestie als vraag en vertelden elkaar de verhalen erover die ze kenden. Het spel was om het mooiste verhaal te vertellen en lof te oogsten voor het plezier van ernaar luisteren. De ernst nam af, maar de passie toe.

Zoiets als “op tijd komen” lees je dan plotseling heel anders. Tot dan had het altijd de betekenis voor me gehad om op de afgesproken tijd er-te-zijn. Maar kun je niet ook op iets anders komen, dan op “de afgesproken tijd”? Wat is dat eigenlijk, op tijd komen? Of, wat kan het zijn? En hoe kom je dan “op” tijd? Hoe neem je tijd. Hoe is je timing in interactie? Kun je luisteren, vrijmoedig spreken en concreet, tot onderzoek bereid zijn en respectvol je vragen stellen? Je laten inspireren en even zonder antwoord zijn? Want dit, geachte lezer, vormt de basis van een socratische dialoog [6]: vrije ruimte [7]. Steevast ervaart men dit als verademend [8].

Door Jan ben ik me gaan afvragen waarom we eigenlijk afspraken met elkaar maken. Eigenlijk heb ik domweg geen bevredigend antwoord. Het scenario verkleurt van “om alles geregeld te krijgen”, tot gewoon “leuk”. Het eerste is nuttig en het tweede is zinvol. Doorheen mijn zoektocht begon ik afspraken anders te zien. En vooral wat er dan gebeurt tijdens het maken van zo’n afspraak. Hoe ik en anderen met elkaar spreken tot de zaak af is. En hoe de ontmoetingen verlopen, die horen bij het voltrekken van zo’n proces. Dan ga je verassende dingen zien. Kijk maar! Om niet te vergeten…

Welnu: kun je elkaar haastig ontmoeten?

Hartelijke groet,

Huub Eeken, katalysator in ontmoeting [9]

NB-en:

1 BD, 22-11-06 2 Een voorbeeld bij de uitgangsvraag. 3 Alles kan onderzocht worden. De filosofische ontmoeting, reflecteert dat. Veelal komen we tot de ontdekking dat onze oordelen over de werkelijkheid zijn gebaseerd op vooronderstellingen. Dingen die we menen en verdedigen, maar wellicht niet zeker weten. Een socratische ontmoeting, in die zin, bestaat uit de wederzijdse aanraking van minstens twee werelden van betekenis. Interesse werkt hierin behoorlijk inspirerend! 4 Een mooie uitgangsvraag: Is dat zo? Is “tijd nemen” bepalend voor de kwaliteit van een ontmoeting? 5 Een duidelijk antwoord op de uitgangsvraag. De kernbewering: Tijd geeft ruimte voor ontmoeten! Onderzoek van vooronderstellingen; is dat zo? In de tekst vindt u verschillende argumenten die om verheldering vragen. 6 Met dank aan Hans Bolten en Jac Rongen: www.boltentraining.nl & www.rongen.com. 7 Met dank aan Jos Kessels, Pieter Mostert en Erik Boers: www.hetnieuwetrivium.nl. 8 Zie www.vrijeruimte.com (in revisie, verwacht najaar 2006) 9 Huub Eeken studeerde wijsbegeerte aan de Radbouduniversiteit te Nijmegen. Tot oktober was hij werkzaam als ethiekdocent bij Avans te Breda. Mocht u eens een socratische dialoog willen ervaren of een reactie willen geven op de columns: huubeeken@wanadoo.nl of 040 2371655.


By on 00:49
De Filosofische Ontmoeting

Proloog

Deze nieuwe column gaat over socratische gesprekken in woord en daad. Maar dan: wat is een socratisch gesprek? Voor wie er nog geen ervaring mee heeft: dat kan ieder gesprek zijn. Of je nu met zijn tweeën bent of met een behoorlijke groep. Het gesprek kan in de geest van Socrates een filosofische ontmoeting worden.

Een column is: een regelmatig verschijnende, ondertekende rubriek in een dag of weekblad, met een eigen karakter. Heerlijk die Van Dale. Mooie open beschrijvingen waarmee je kunt spelen. Dus wat ik nu schrijf zou een eigen karakter moeten hebben en niet in een tweemaandelijks tijdschrift moeten verschijnen. Dit laatste doet het wel. De definitie breekt me op. Toch noem ik dit een column, met uw welnemen. Want eigenaardig is het wel.

Het allereerste dat me treft, wanneer ik dit schrijf, is elenchus. Precies de pretentie van dit artikel, namelijk lezenswaardig te zijn, verhult een diepgewortelde verlegenheid. Want: wat is de moeite van het lezen waard? Wat is lezenswaardig?

Een dergelijke vraag is overigens een klassieker onder de zogenoemd socratische vragen. Wat is lezenswaardigheid? Niet erg spannend misschien, het eigenaardige van het lezenswaardige. Maar het is wel de vraag naar het hart of de kern van iets. Want, wat is nu eigenlijk lezenswaardig?

In dit geval is de ‘wat is-’ vraag niet alleen een reflectieve, maar ook een praktische vraag. Nu ze hun nut bewezen hebben voor de dagelijkse praktijk ontstaat er een toenemende interesse in socratische gesprekken. Dat is concreet. Schrijvenwaardig dus, maar… wat is lezenswaardig?

Het filosofische karakter van dit magazine geeft wellicht een hint. Juist hier lijkt het me wat vreemd om een bundel meningen onder de titel van een column te publiceren. Dus op meningen gok ik liever niet. Zeker niet als het gaat om socratische ontmoetingen. Maar hoe bied je filosofen een lezenswaardig artikel over het socratisch gesprek. Niet een mening die er straks één is onder vele anderen. Meer iets ‘wezenlijks’. En wezenlijk aan de filosofie is dat ze wijsgerig is! Dus een meer ‘wijsgerigwaardig’ geschreven stuk. Een onderzoekend stuk! Een filosofische onderzoeksmethode onder de loep.

Hier ga ik vertellen over het socratisch gesprek. Over wat het is, hoe het werkt en wat het doet. Ik ga vertellen als een Griekse getuige in moderne taal. Een vrije vertelling dus, waarin gaandeweg wordt onderzocht wat het hart is van een filosofische ontmoeting.

Het onderzoek is praktisch van aard, want alle kennis begint bij de zintuigen… Verschillende filosofische cafés zullen worden bezocht. En gesprekken zullen veelvuldig worden gevoerd. Er wordt met iedereen gesproken. Want ook op de markt van Athene liep van alles rond. En ook Socrates sprak met iedereen. En natuurlijk ontstaan daardoor ook nieuwe vormen. Er zijn er al verschillende. Wat dacht je van socratische intervisie of een gesprek naar aanleiding van buitensportervaringen. Besprekingen van spirituele literatuur, socratische één op één ontmoetingen en gesprekken met bijvoorbeeld hulpverleners, reclasseringsjongeren en belastingambtenaren. Korte vormen zijn al doorgedrongen in het onderwijs. Kortom: het socratisch gesprek zit overal! Uit praktische overwegingen houd ik de verhalen kort. Hoewel ik graag met taal speel, maal ik niet om academisch taalgebruik. Maar in dergelijke gevallen, beste lezer, verzeker ik u dat de rapsode eerder dan de sofist aan het woord is. In de poëzie heeft zorgvuldigheid een andere waarde. Woorden geven aan beelden. Het verstand, in deze, richt zich op de praxis van alledag om, hopelijk, iets van de realiteit in te zien. Maar.., is dat lezenswaardig?

Het vormen van deze mening, geachte lezer, laat ik graag aan u over. Hierbij de eerste column en tot een volgende ontmoeting!

Huub Eeken, katalysator in ontmoeting

N.B. Filosofische verlegenheid. Komt voor wanneer een besef van het-niet-weten tot het denken doordringt. Zie ook: A. Vennix, De list van de geleerde onwetendheid (uit de bundel: Het heil van de filosofie, ambo).

Huub Eeken studeerde wijsbegeerte aan de Radbouduniversiteit te Nijmegen. Tot oktober j.l was hij werkzaam als ethiekdocent bij Avans te Breda. 21 maart opent hij zijn praktijk in hartje Eindhoven. Hij is lid van de Vereniging voor Filosofieonderwijs (VOF); van de netwerken: Filosofie in Praktijk (FIP) en Panta Rhei; en van de werkgroepen: Innovatie te ’s-Hertogenbosch en Beroep en Ethiek te Breda. Kijk voor meer informatie op: www.vrijeruimte.com


By on 00:00
Welkom

Welkom bij de ingang van… de Grot.

Deze log is opgezet ter aanvulling en ondersteuning van de columns die nu gepubliceerd worden in FILOSOFIE. Het doel van deze reeks van tien woordspelingen, is de verkenning van een oud en klassiek fenomeen: het gesprek. Wat is de waarde van een goed gesprek?

Het boek waaruit voor de columns wordt geput, heet levende ervaring; zoals bij ieder boek het geval is. Ja, zelfs in ieder verhaal! Al waarover we spreken geeft uitdrukking aan beleving. In ontmoetingen kunnen we ons andere belevingswerelden eigen maken en de eigen belevingswereld anders maken. In gesprek worden deze werelden gedeeld.

Als docent ervoer ik het raadsel van communicatie het allersterkst in de slogan: "Afspraak is afspraak!" Voor de praktische kant van samen leven zijn afspraken cultuurbepalend. En een ieder kan zien dat we op dit gebied kampen met vele problemen. Want, hoe spreek je iets af met een ander die je eigenlijk niet kent? Hoe stem je af op het onbekende?

De tien columns samen geven het beeld van een ontdekkingsreis.

De zoektocht richt zich op de kunst van communicatie. Hoe ontmoet je andere werelden? Hoe kun je zinvol spreken en luisteren? "De Filosofische Ontmoeting" zoomt, als het ware, in op dat aspect dat we allen maar al te goed kennen.

Zowel de innerlijke als de uiterlijke dialoog komen aan bod.

Via dit weblog vind je aanvullende informatie en kun je jouw reacties, vragen of suggesties kwijt. Wie weet vind je daarvan nog eens iets terug in een van de columns!

Hopelijk levert dit projectje een kleine bijdrage aan de totstandkoming van zinvolle ontmoetingen tussen de verschillende culturen die Nederland rijk is.

Hartelijke groet,

Huub Eeken, katalysator in ontmoeting

Naar de grot

september 19, 2006
By on 14:07
De grotvergelijking
  • Goed, zei ik, dan moet ge nu eens gaan kijken naar de manier waarop wij zijn opgevoed. Stel u gevangenen voor die in een onderaards verblijf leven, een grot bijvoorbeeld. De toegang tot de open lucht wordt gevormd door een opening die even breed is als de grot zelf. Die mensen zijn nog nooit buiten de grot geweest. Ze kunnen benen en hals niet bewegen omdat die vastgeklemd zijn, en ze kunnen alleen voor zich uit kijken. Achter hun rug is een lichtbron: het is een vuur dat hoog boven hen brandt. Tussen dat vuur en de gevangenen loopt een weg die ook hoog is gelegen, met een borstwering die dient als het schot dat bij het poppenspel wordt gebruikt om de poppenspelers aan het gezicht te onttrekken.
  • Dat zie ik voor me, zei hij.
  • Achter die borstwering lopen mensen, die allerlei voorwerpen, zoals stenen en houten beelden van mensen en dieren, boven de borstwering uittillen. Sommigen spreken daarbij en anderen niet.
  • Een vreemde situatie, zei hij, en die gevangenen zijn ook zo vreemd.
  • O, maar die zijn niet anders dan wij, zei ik. Wat kunnen ze anders zien van zichzelf en van hun medegevangenen dan de schaduwen die door het vuur op de wand van de grot worden geprojecteerd?
  • Niets, zei hij, want ze kunnen hun hoofd niet draaien.
  • En van de dingen die achter hen langs worden gedragen zien ze ook niet meer dan de schaduw, nietwaar?
  • Dat is zo.
  • Stel nu dat ze met elkaar zouden spreken. Dan zouden ze het hebben over wat ze voor zich zien, en dat zouden ze voor de werkelijkheid houden.
  • Inderdaad.
  • En als in de gevangenis de echo weerklinkt van wat de voorbijgangers zeggen, waarbij het geluid door de wand wordt teruggekaatst, zouden ze dan niet denken dat het de schaduwen zijn die spreken?
  • Waarachtig, dat is zo, zei hij.
  • Dan houden de gevangenen deze schaduwen steeds voor de dingen zelf, zei ik.
  • Dat kan niet anders, zei hij.
  • Nu worden ze op de een of andere manier bevrijd uit de boeien die hen afhouden van de werkelijkheid, ging ik voort. Een van hen wordt gedwongen om op te staan, het hoofd te draaien en ineens in het licht te kijken. Dat doet pijn aan zijn ogen, en verblind als hij is, kan hij nog steeds de dingen niet zien waarvan hij voor die tijd slechts de schaduwen zag. Wat zal hij zeggen, denkt ge, als men hem dan vertelt dat hij vroeger schimmen zag en nu dichter bij de werkelijkheid is komen te staan en beter kan zien wat zich in werkelijkheid afspeelt? Wat is zijn antwoord als men hem ieder ding dat voorbij wordt gedragen aanwijst en hem vraagt te zeggen wat het is? Hij zal het niet weten en meer geloof hechten aan wat hij voor die tijd zag.
  • Dat is wel zeker, zei hij.
  • Het zal pijn doen aan zijn ogen als hij gedwongen wordt naar het licht zelf te kijken, dus zal hij zich weer omdraaien en zijn toevlucht zoeken bij de dingen die hij wel kan zien en waarvan hij gelooft dat ze duidelijker te onderscheiden zijn dan de voorwerpen die hem worden aangewezen.
  • Ja zeker, zei hij.
  • Als iemand hem met geweld omhoog voert langs die weg, die steil is en moeilijk begaanbaar, en hem niet loslaat voordat hij buiten de grot staat, in het volle licht van de zon, zal hij dan dat zonlicht niet als pijnlijk ervaren?
  • Hij zal zich geen raad weten. Als hij eenmaal in het licht is gekomen en als zijn ogen worden verblind door het zonlicht, zal hij dan ook maar iets kunnen onderscheiden van wat de werkelijkheid wordt genoemd?
  • Dat denk ik niet, zei hij, tenminste niet onmiddellijk.
  • Ik denk dat hij zal moeten wennen. In het begin zal hij eerst de schaduwen kunnen onderscheiden, dan de weerspiegelingen van de dingen in het water, en pas later de dingen zelf. Als hij dan in een later stadium de verschijnselen in de hemel en de hemel zelf wil waarnemen, kan hij dat het beste ‘s nachts doen, bij het licht van de sterren en van de maan. De dingen in het licht van de zon en de zon zelf kan hij echter nog niet goed zien.
  • Natuurlijk.
  • Tenslotte kan hij, denk ik, naar de zon zelf kijken en haar ware gedaante aanschouwen. Dan kijkt hij niet naar de weerspiegelingen ervan in het water of andere oppervlakken, maar naar de zon zelf in haar eigen licht en op haar eigen plaats.
  • Zeker.
  • Dan zal hij de conclusie trekken dat het de zon is die de seizoenen en de kringloop van de jaren veroorzaakt en alle dingen in de zichtbare wereld bestuurt, en dat de zon in zekere zin ook de oorzaak is van al de dingen die hij en zijn medegevangenen daarbinnen in de grot zagen.
  • Zeker, zei hij, dat kan hij pas begrijpen als hij de zon heeft gezien.
  • En wat denkt ge? Als hij zich zijn vroegere verblijfplaats herinnert, en wat daar voor wijsheid doorgaat, en zijn medegevangenen van destijds, zal hij zich dan niet gelukkig prijzen met de verandering en medelijden hebben met zijn makkers in de grot?
  • Zeker, zei hij.
  • Stel nu eens voor dat die elkaar overladen met eerbewijzen en loftuitingen, en dat ze geschenken geven aan degene die het snelst ziet welke schaduw er nu weer voorbijtrekt, of die zich het best kan herinneren in welke volgorde en in welk verband de dingen zich herhalen, zodat hij het best kan zien wat er gaat gebeuren. Denkt ge dan dat iemand die aan de grot is ontsnapt, uit is op hun eerbetoon en dat hij degenen die bij de gevangenen in aanzien staan en op de voorgrond treden, benijdt? Zou hij niet met Homeros veel liever hier op aarde willen leven ‘als dienstknecht van een arm man’ en alles liever verdragen dan er de overtuigingen op na te houden die de gevangenen erop nahouden, en zo te moeten leven als zij?
  • Alles liever dan dat, zei hij.
  • Stelt u zich nu eens voor, zei ik, dat zo iemand weer zou afdalen en op dezelfde plaats ging zitten als voorheen. Zouden zijn ogen niet verduisterd worden als hij zo plotseling in het donker komt?
  • Reken maar, zei hij.
  • Als hij weer moest wedijveren in het herkennen van de schaduwen met degenen die steeds vastgebonden bleven, terwijl zijn zicht nog zwak is omdat zijn ogen nog moeten wennen aan de duisternis * en dat zou wel eens een hele tijd kunnen duren * zou hij dan niet worden uitgelachen door de grotbewoners, en zouden ze niet zeggen dat hij van zijn uitstapje naar boven met verknoeide ogen is teruggekomen? Daaruit zouden ze opmaken dat het niet de moeite loont om zelfs maar te proberen naar boven te gaan. Als iemand hen dan probeert los te maken en naar boven te brengen, zouden ze hem dan niet ombrengen als hij in hun handen valt?
  • Vast en zeker, antwoordde hij.
  • Deze gelijkenis, beste Glaukoon, zei ik, kan in zijn geheel worden toegepast op wat we hiervoor hebben gezegd. De zichtbare wereld is te vergelijken met een gevangenis waarin wij wonen, en het licht van het vuur dat daarbinnen schijnt met het zonlicht. En als ge de tocht naar omhoog uit de grot en het aanschouwen van alles wat daarboven is, ziet als het opstijgen van de mens naar het gebied van het zuivere weten, zult ge de kern van mijn betoog niet missen. Dat is toch wat ge hoopte te horen? Maar of het allemaal waar is, dat weet God alleen. Hoe het ook zij, in mijn voorstelling ziet het er zo uit dat het uiterste dat in het gebied van het kenbare gezien kan worden * en dan nog maar nauwelijks * het principe van het ‘Goede’ is. Als dat eenmaal gekend is, moet de conclusie worden getrokken dat juist dat principe de oorzaak is van al wat waar en schoon is, en dat geldt in iedere omstandigheid. In de zichtbare wereld brengt het goede het licht voort en de kracht daarvan, en in het gebied van het zuivere weten brengt de kracht van het goede waarheid en rede voort. Dan moet wel worden erkend dat iemand die wijsheid in praktijk wil brengen in het persoonlijke leven of in het leven van de gemeenschap, dat goede moet leren kennen.
  • Daar ben ik het mee eens, zei hij, tenminste voorzover ik het kan volgen.
  • Vooruit, zei ik, blijf mijn gedachtengang dan volgen en verbaast u zich er niet over dat degenen die die hoogte hebben bereikt zich niet meer willen bezighouden met het gedoe van de mensen. Nee, zij worden steeds voortgedreven door een verlangen naar het verblijf daarboven. Dat is toch te verwachten, als de vergelijking met het beeld dat we geschetst hebben tenminste opgaat.
  • Dat is zeker zo, beaamde hij.
  • En wat denkt ge, vroeg ik, zoudt ge het niet vreemd vinden als iemand die van het goddelijke schouwen terugkeert naar de menselijke beslommeringen, zich onbeholpen gedraagt en in hoge mate de lachlust opwekt? Dat moet toch wel gebeuren als hij, nog verblind door het licht en onvoldoende gewend aan het omringende duister, gedwongen wordt in de rechtszaal of ergens anders te spreken over de schaduwen van de gerechtigheid of over de beelden die die schaduwen veroorzaken, en met de mensen die de gerechtigheid zelf nog nooit hebben gezien een woordenstrijd moet voeren over wat zij onder gerechtigheid verstaan?
  • Dat zou me niet verbazen, antwoordde hij.
  • Maar wie zijn verstand gebruikt, zei ik, zal zich herinneren dat de ogen op twee manieren kunnen worden verblind: als ze uit het licht in het duister komen, en als ze van het duister in het licht komen. Omdat het voor de hand ligt dat dit voor de rede ook geldt, zal een redelijk mens niet zomaar in de lach schieten als hij een mens ziet die verward is en niet bij machte is iets te onderscheiden. Hij zal daarentegen kijken of die mens verblind is door omstandigheden waar hij niet aan gewend is omdat hij uit een helderder wereld komt, of omdat hij, gekomen uit een relatief duistere onwetendheid naar een helderder sfeer, verblind wordt door een overvloed aan schittering. Hij zal de een gelukkig prijzen om zijn ervaring en zijn levensomstandigheden, en medelijden hebben met de ander, en als hij al zou willen lachen, dan eerder om degene die van de duisternis in het licht komt, dan om wie van boven uit het licht in de duisternis komt.
  • Dat hebt ge heel goed gezegd, zei hij.
  • Daaruit kunnen we opmaken, dat sommige mensen er een verkeerde opvatting over opvoeding op nahouden. Ze zeggen dat er kennis in de mens geplant moet worden die hij voordien niet bezat. Zij denken dat je blinde ogen weer ziend kunt maken.
  • Dat is een gangbare opvatting, zei hij.
  • Onze gelijkenis toont echter aan dat de mens op ieder gebied alle mogelijkheden al in zich heeft, en het instrument waarmee hij iets leert, lijkt op een oog dat alleen kan zien als de mens zich met het gehele lichaam afkeert van de duisternis en het licht tegemoet treedt. Zo moet ook de mens zelf tot inkeer komen en zich afwenden van het proces van wording, tot hij in staat is de werkelijkheid van het zijnde te aanschouwen en de allesovertreffende glans daarvan te verdragen. En dat is ook het goede, nietwaar?
  • Inderdaad.
  • Misschien is het wel een bijzondere gave om de mens tot inkeer te laten komen en om te weten hoe dat zo gemakkelijk en doeltreffend mogelijk kan geschieden. Daarbij hoeft het vermogen om dingen in te zien niet in de mens te worden ingeplant, want dat heeft hij allang. Nee, het gaat erom dat de mens de goede kant op moet kijken.
  • Dat lijkt mij ook, zei hij.

By on 12:53